Site Loader
Rock Street, San Francisco

Inleiding

    Boeddhisme is niet de religie die we over het algemeen met geweld gaan associëren. Wanneer wij aan Boeddhisme denken, denken we over het algemeen aan een zeer vreedzame religie. Echter, wanneer we naar de Japanse krijger-monniken gaan kijken kunnen we zien dat dit vreedzame imago niet altijd overeen komt met hoe het in de realiteit was. Vanaf de 10de eeuw maakten deze krijger-monniken vaak deel uit van de privé legers van de boeddhistische kloosters. Gewapend met speren, bogen en zwaarden was hun militaire en religieuze kracht naar verluidt zo groot dat ze bij vele burgers, maar ook vijanden de schrik aanjaagden.
    De Japanese term die gebruikt wordt om dit soort krijgers te omschrijven is sohei ??. Het eerste karakter kan Boeddhistische monnik of priester betekenen, en het tweede karakter betekent zoveel als ‘soldaat’ of ‘krijger’. Het woord sohei betekent dus ‘priester soldaat’. Een andere term die ook soms gebruikt werd om de krijger-monniken te gaan omschrijven was asuso of met andere woorden ‘kwaadaardige monnik’, en dit is dan weer een term die aan hen gegeven werd door onder andere bange hovelingen, die wel vaak eens het slachtoffer werden van deze monniken. Desondanks al deze termen, zal ik de term ‘krijger-monnik’ gebruiken doorheen deze paper wanneer ik naar deze priester soldaten verwijs. 

We Will Write a Custom Essay Specifically
For You For Only $13.90/page!


order now

2.   Het ontstaan van de krijger-monniken

  Het concept krijger-monnik is eigelijk ontstaan rond dezelfde periode wanneer ook het Boeddhisme werd geïntroduceerd in Japan. Wanneer het Boeddhisme vanuit China naar Japan overgebracht werd, werd het Boeddhisme niet gezien als een bedreiging, maar werd het eerder gezien als een soort van aanvulling op de bestaande religie die al reeds aanwezig was in Japan, het Shintoïsme. Het Boeddhisme aanschouwde de kami als manifestaties van de Boeddha, waardoor het Shintoïsme en het Boeddhisme vreedzaam samen konden bestaan. De keizerlijke familie speelden een grote rol in de verdere verspreiding van het Boeddhisme, aangezien zij door het Shintoïsme als kami werden aanschouwd. Wanneer Nara de hoofdstad van Japan werd in 710, verkregen de grote Boeddhistische tempels veel politieke invloed. Wanneer de hoofdstad in 794 echter van Nara naar Kyoto word verplaatst, zien enkele veranderingen die zich bij de Boeddhistische tempels voordoen. Naar verluidt is het zo dat wanneer ze op zoek zijn naar een nieuwe locatie om de hoofdstad naar te verplaatsen, de locatie eerst aan enkele voorwaarden moet voldoen. Zo was er onder andere volgens het Feng Shui principe dat de vijand of ‘het kwaad’ een stad kon aanvallen vanuit noord-oostelijke positie. Nu lag er ten noord-oosten van Kyoto een berg genaamd, Berg Hiei. De ligging van deze berg was natuurlijk ideaal, aangezien deze berg voor de bescherming van de hoofdstad zou kunnen zorgen, waardoor Kyoto dan ook gekozen is geweest als hoofdstad. Op de Hiei berg was er reeds een Boeddhistische tempel gevestigd, namelijk, Enryakuji. Op deze manier was er dus al een tempel aanwezig die klaar stond om de hoofdstad te beschermen tegen het kwade. Enryakuji werd dus een bevoordeelde tempel met veel steun van de Japanse aristocratie, waardoor ze de mogelijkheid hadden om hen eigen Tendai sekte op te richten. Vervolgens stond Enryakuji ook in voor de persoonlijke behoeftes van de Japanse adel in Kyoto, en hierdoor kunnen we wel zeggen dat de tempel baadde in de rijkdom. Hoewel de regering geen controle kon uitoefenen op de Boeddhistische tempels, had de keizer wel de macht om de hoofd abt van de tempel te kiezen, en vaak gingen geschillen tussen tempels dan ook over het feit dat ze niet akkoord gingen met dergelijke benoemingen.

2.1.   De eerste grote incidenten

   Sinds de verhuizing van de hoofdstad van Nara naar Kyoto, waren de grote tempels van Nara zoals Todaiji en Kufukuji vrij jaloers op de naam en faam die de Enryakuji tempel verkregen had. Vervolgens waren er ook onenigheden tussen deze tempels over het feit dat het recht tot het inwijden van de nieuwe monniken bij de Hieizan geestelijkheid lag, en niet exclusief gebeurde in Nara. Het eerste echte grote incident waarbij gewelddadige monniken betrokken waren, was rond 949. Het was begonnen als een soort protest van een delegatie die van Nara naar Kyoto trok, maar deze eindigde in een gewelddadig gevecht dat het leven van verschillende mensen gekost heeft. Aangezien er nog andere incidenten waren die daarna plaatsvonden had Ryogen, de hoofdpriester van Enryakuji, de beslissing genomen om een permanente strijdkracht te creëren die zou instaan voor de bescherming van de Hieizan geestelijkheid en hun groeiende invloed/rijkdom. Deze strijdkrachten raakten daarna al heel snel betrokken bij onenigheden tussen tempels, vaak ging dit dan over geschillen tussen Enryakuji, Miidera en de tempels in Nara. Één van deze incidenten was een politiek geschil tussen rivaliserende groepen binnen de Tendai sekte zelf. Het conflict zelf was ontstaan nadat er onenigheden waren tussen over de opvolging van de hoofdpriester, en uiteindelijk in 868 is de Tendai sekte in twee rivaliserende groepen opgesplitst. De een associeerde zich met Enryakuji en noemde zichzelf de Ennin factie, en de andere groep associeerde zich met de dochtertempel van Enryakuji, namelijk, Onjoji of ook beter gekend als Miidera. Deze groep noemde zich de Enchin factie. De eerste bloederige confront tussen de Ennin factie en de Enchin factie vond plaats in 981 wanneer Yokei van de Enchin factie door het keizerlijk hof verkozen werd als hoofdpriester van de Hosshoji tempel. Als reactie hierop ging de Ennin factie gaan protesteren, aangezien alle voorgaande priesters tot de Ennin factie behoorden. Toen het keizerlijk hof weigerde hun beslissing hierover te herzien, begonnen meer dan 200 monniken op gewelddadige manier te protesteren in de straten van Kyoto. Na de demonstraties waren de monniken van de Enchin factie zo geïntimideerd door de gewelddadigheid van de Ennin factie, dat ze de Hiei berg Ontvluchtte en ergens anders onderdak gingen gaan zoeken, maar sommige Enchin monniken weigerde te vluchten en barricadeerde zichzelf in de Senjuin tempel. Toen Ryogen van de Ennin factie op het punt stond om een gewapende aanval naar de Senjuin tempel te leiden, kon de kalmte enkel terugkeren wanneer Yokei afstand deed van zijn positie als hoofdpriester van de Hosshoji tempel. 

3.   Krijger-monniken zij aan zij met samurai

  Rond ongeveer het jaar 1180 raakten de krijger-monniken verwikkelt in de Genpei oorlog (1180-1185) , die uitgevochten werd tussen de rivaliserende samurai clans, de Minamoto en de Taira. Zowel de Taira als de Minamoto waren op zoek naar extra troepen om hun eigen legers uit te breiden en te versterken, en zijn dan uiteindelijk beginnen samenspannen met de monistische troepen. De Genpei oorlog was het uiteindelijke slotstuk van een decennialang conflict tussen beide clans dat ging over de macht over de keizerlijke familie, en de macht over Japan. Het eigenlijke gewapend conflict begon toen de Minamoto een andere kandidaat hadden voor de troon dan de Taira. Dit conflict werd de slag van Uji genoemd. Aan het hoofd van de Taira clan stond Kiyomori, en zijn rivalen van de Minamoto hadden goede banden met een zekere prins Mochihito. De Minamoto wilden deze prins op de troon krijgen, aangezien ze dan hun eigen machtspositie bij de keizerlijke familie, en hun machtspositie over Japan konden verzekeren. Deze prins had echter een aanval tegen de Taira clan geleid in 1180. De tegenaanval van de Taira was onverwachts sterk waardoor prins Mochihito moest wegvluchten van Kyoto naar de Miidera tempel, terwijl ze achterna gezeten werden door Taira troepen. Eens aangekomen in Miidera, werd er om hulp gevraagd aan Enryakuji en de tempels in Nara om hun troepen te komen versterken. Het antwoord dat ze ontvingen was Enryakuji was niet waar ze op gehoopt hadden. Blijkbaar was het ook zo dat Enryakuji omgekocht werd door Taira Kiyomori met verschillende geschenken zoals rijst en zijde.
Het antwoord dat ze van de Kokufuji tempel in Nara kregen was meer het antwoord waar ze op gehoopt hadden, maar nu hadden ze natuurlijk het bijkomende probleem dat Nara verafgelegen is, en het te lang zou duren vooraleer hun krijger-monniken Miidera zouden bereiken. Aangezien de Minanoto/Miidera alliantie er nu alleen voor stond, hadden ze een plan bedacht waarbij ze het hoofdkwartier van de Taira ‘s nachts zouden aanvallen. Dit plan werd jammer genoeg verdoezeld door een monnik in Miidera die banden had met de Taira clan. Op een of andere manier wist deze monnik er voor te zorgen dat de Minamoto/Miidera alliantie net te laat toekwam aan het hoofdkwartier van de Taira. Maar dit is echter niet de enige reden waarom ze te laat waren. Een andere reden is te wijden aan het feit dat prins Mochihito zich had gebarricadeerd in Miidera, waardoor ze dus eerst en vooral een groot deel van die barricade moesten afbreken vooraleer ze met al hun troepen terug naar buiten konden. Na deze gefaalde aanval keren ze terug naar Miidera en houden ze een oorlogsraad. Uiteindelijk komen ze tot de conclusie dat hun enige optie is om naar Nara te marcheren, en zich daar bij de krijger-monniken van Nara te vervoegen. De ochtend daarna speelde de slag van Uji zich af, maar ondanks hun dapperheid en strijdlust wisten ze niet in hun opzet te slagen, en werden ze verslagen door de Taira. 

3.1.   Voorbereiden op oorlog

  De monniken die een opleiding tot krijger-monnik volgenden moesten uiteraard naast hun dagelijks werk in de tempel en hun gebeden, ook een militaire training ondergaan zodat ze voorbereid zouden zijn op eender welke mogelijke aanval. Dankzij de getuigenis van missionaris Caspar Vilela kunnen we ons een beeld vormen van hoe deze training er ongeveer uitzag. Volgens Vilela legden deze krijger-monniken geen monistische eed af aangezien ze hun haar lieten groeien en zich volledige toewijdde aan de militaire kunsten. De monistische regels die deze krijger-monniken moesten volgen legden naar verluidt veel minder de nadruk op bidden en veel meer op militaire training. Als onderdeel van hun training moesten de monniken naar verluidt 5 tot 7 pijlen per dag maken, en minstens één keer per week intensief met hun boog en haakbus oefenen. Volgens Vilela waren hun helmen, harnassen, zwaarden en speren van zulke goeie kwaliteit, dat ze met hun zwaarden zonder problemen door een man met harnas heen konden hakken, net zoals een slager een stuk vlees doorsnijdt. Tijdens de trainingen vochten ze zo intens en genadeloos met elkaar, dat het wel eens voorkwam dat het in de dood van enkele eigen leden kon resulteren. Ze werden getraind om onbevreesd en genadeloos te zijn op het slagveld, zoals het volgende fragment uit de Heike Monogatari ook bewijst:
   
“Onder de strijdende monniken die tot de troepen van de prins behoorden was er een monnik genaamd J?my? Meish? uit Tsutsui.… De vierentwintig pijlen die hij op zijn rug droeg trok hij één voor één, bevestigde ze aan zijn boog, spande zijn boog aan en vuurde ze genadeloos in het rond af. Door zijn regen van pijlen stierven er twintig en raakte er elf soldaten gewond. Tot slot had hij maar één pijl meer over. Hij smeet zijn boog aan de kant gevolgd door een kletterend geluid, en nam zijn pijlen koker van zijn rug. Vervolgens deed hij zijn pelsen laarzen uit en liep hij blootsvoets vlot over de dwarsbalken van de brug heen. Iemand anders zou bang geweest zijn en de brug niet overgestoken hebben, maar J?my? zag eruit alsof hij op zijn gemak door de straten van de hoofdstad aan het wandelen was. Vervolgens hakte hij met zijn speer vijf vijanden neer in woede. Toen hij de zesde raakte, brak zijn speer doormidden en smeet hij deze aan de kant. Daarna trok hij zijn lang zwaard en ging verder met vechten, waarna er vele vijanden sneuvelden.”

Post Author: admin

x

Hi!
I'm Dora!

Would you like to get a custom essay? How about receiving a customized one?

Check it out